Journaliste Joanie de Rijke blogt:"…en hou uit alle macht mijn tranen in. Want ik vertik het om mijn wanhoop aan mijn ontvoerders te laten zien."
Journaliste Joanie de Rijke regelde voor een interview een ontmoeting met een talibancommandant, maar werd door hem ontvoerd.
Toen Arnon Grunberg in Afghanistan was, had hij de woorden van een collega van The Independent goed in zijn oren geknoopt: “Sterven is niet erg. Maar gekidnapt worden, daar zie ik tegenop.”
Ik heb daar vaak aan gedacht tijdens mijn zes dagen in de Afghaanse bergen. Ontvoerd worden is wachten. Gelaten, radeloos, misselijk van de beelden van onthoofdingen, begeleid door het roepen van Allah Akbar, steeds sneller. De tijd kruipt voorbij terwijl de wereld ergens ver weg doordraait. “We zijn er met zijn allen heel hard aan bezig om je vrij te krijgen, zo snel mogelijk.” Dat is het laatste dat ik per telefoon van mijn vrienden in Kaboel heb doorgekregen. Daarna besluit de commandant van de 12-koppige groep taliban dat ik genoeg gecommuniceerd heb. En weet ik niet meer wat er gaande is. De wereld is een stille plek geworden, hoog boven een kaal dal. We staan op met het eerste zonlicht boven de bergtoppen, rond een uur of zes. En dan is het opnieuw wachten. Mijn ontvoerders wisselen elkaar af. Sommigen zijn een paar uur weg. Om in het dal eten te halen. Of hun telefoon op te laden. Ik blijf zitten, op een rots boven de afgrond. Aan de stand van de zon kan ik ongeveer inschatten hoe laat we leven. Hoeveel dagen zal ik zo nog moeten zitten? Wanneer wordt de commandant het wachten beu en vermoordt hij mij alsnog? Hij zegt niets meer over de hele zaak. Hij ziet aan mijn gezicht dat ik vol vragen zit maar hij zwijgt bewust.
De derde dag komt hij aanzetten met de schoenen van een van de tien Franse paracommado’s die hij samen met zijn mannen in een hinderlaag lokte en doodschoot. Of ik ze niet wil hebben? Het terrein is tenslotte zwaar, zegt hij. Mijn maag keert om. Ik wil ze niet. Nooit niet.
De volgende middag haalt de commandant een paar spullen uit de zakken van zijn vest. Het zijn twee naamplaatjes van de gesneuvelde Fransen: Kevin Chassaing en Anthony Rivière. Ik moet ze voorlezen terwijl de groep taliban rond me zit. Ze willen ook weten wat er op de briefjes en kaartjes van de Fransen staat. Een busabonnement, de visakaart van Kevin. Er zit ook een halskettinkje met een zilveren hartje tussen, samen met een hangertje, ik geloof van de heilige Michaël waarop staat dat hij kracht geeft. Het is het meest emotionele moment van mijn zes dagen gijzeling. Ik heb die Franse spullen in mijn handen en hou uit alle macht mijn tranen in. Want ik vertik het om mijn wanhoop aan mijn ontvoerders te laten zien.
Ik mag de kettinkjes niet houden. De commandant wil ze terug. Hij steekt ze in zijn zak waar hij ook mijn visakaart heeft zitten. Mijn visakaart in zijn ene zak, die van Kevin in de andere. Maar ik ben er nog, en Kevin niet meer. En hoewel ik hem en Anthony en de andere acht militairen niet kende, doet die gedachte ontzettend pijn. Daarover kon ik niet praten in het programma. Daarom schrijf ik het hier.