Barbara Summa blogt: "Beter een enge zekerheid dan die verstikkende onzekerheid van de laatste twee dagen"
Barbara Summa is Italiaanse en haar familie woont in het gebied dat maandag getroffen werd door een aardbeving.
Ik maakte gisteren, eenmaal thuis na de uitzending, de balans op van de eerste dag na… na wat eigenlijk? De tragedie? De verwoesting? De beving, laat ik het zo maar noemen, want dat is lekker neutraal. Dat Ugo de Paolis, de burgemeester van Paganica, de gemeente waar Onna onder ressorteert, op een zeker moment op het plein een lijst met namen heeft voorgelezen van degenen wiens lijken al verzameld waren.
Ugo, die ken ik. Mijn vader kende hem. Zijn familie maakt de lekkerste hammen ooit gegeten, heb ik ooit in mijn kookrubriek in Italië Magazine geschreven. En over deze streek zei ik nog in december: “Bij ons, in de provincie l’Aquila, zijn de fagioli di Paganica, een dorpje net buiten de stad aan het begin van de weg naar de skipistes van Campo Imperatore, beroemd. Maar wat de meeste niet weten, is dat in een gehucht van Paganica, Onna, ze een bijna gelijke soort boon kweken, die veel beter is, want de akkers daar liggen meer in het midden van de dal, net naast het riviertje, en de schil van deze ronde, witte bonen een dun vliesje is, iets dat door de gourmets zeer gewaardeerd wordt.”
Na gisteren hoef ik even niet meer uit te leggen waar Paganica en Onna liggen. Maar ik had het graag anders gewild. Zo is het met onze provincie: al die halfverlaten dorpjes rond l’Aquila, allen met een burcht, stadsmuur, kasteeltje, een plaatselijke specialiteit. Beetje leeg, die dorpjes, want iedereen is geëmigreerd, zoniet naar het buitenland, dan tenminste naar L’Aquila. Als je uit dit gebied komt, ken je zo’n beetje iedereen en zodoende kon ik vandaag via Facebook, mijn blog Mammamsterdam, mails etc. heel wat kennissen traceren. Alleen Massimo Piunti, die kunstenaar is en in een dorpje buiten L’Aquila als een kluizenaar woont, heeft nog niet van zich laten horen. Ook al zou hij voor een keer zijn mails willen lezen, er is geen elektriciteit in het gebied en mensen zijn zuinig met de batterij van hun mobiel.
Ik draai er omheen, maar op de een of andere manier wil het besef niet echt doordringen. Er is een beving geweest. Een hele enge. Ze hebben het overal gevoeld. Mijn vriendin die aan zee woont, 100 kilometer daar vandaan, schrijft dat ze ’s nacht wakker zijn geworden en dat het een hele lange 20 seconden heeft getrild. Ik ben ook aan zee opgegroeid en ben nooit echt bang voor dat soort trillingen geweest. Mijn vader had het als volgt uitgelegd; we zitten op zandgrond, dus daar hebben we geen last van, want zand is elastisch en de meeste huizen zijn nieuw, dus antiseismisch gebouwd.
Maar het was wel spannend, zo’n trilling. Dan ging je gelijk naar de lamp op het plafond kijken. Bewoog deze, dan was het echt en niet nep. Dan wist je ook gelijk dat je op die dag of de dag erna op school weer een les over bevingen zou krijgen. Dat je onder een tafel moet kruipen of onder het deurkozijn van de steunmuur van het huis. Die kozijnen die zelfs in nieuwbouwhuizen wel zo’n 40 cm. dik zijn. Van de trap moest je afblijven (tja, maar ze legden dan ook nooit uit hoe je anders buiten moest komen). Wachten tot de schokken over zijn en dan pas naar buiten, begreep ik later.
En dan op TV, de gebruikelijke beelden. Gaten op straat, puinhopen, huilende mensen, tentenkampen, speurhonden, de doodvermoeide reddingwerkers, het leger en overal: de Dienst Rampenbestrijding. Op de onderbouw van de basisschool heb ik een opstel geschreven naar aanleiding van de beving in Friuli in 1976. In de bovenbouw schreef ik er één over die in Irpinia in 1980. Ook schreef ik opstellen over historische aardbevingen, zoals Messina in 1908 en Avezzano, toch bij ons in de buurt, in 1915.
Over die van Assisi hoefde ik geen opstel te schrijven, ik zat niet meer op school. Nu ook niet, maar ik doe niks anders dan erover schrijven. Ik schrijf het van mij af, iets waar ik ook cursussen in geef.
Wij Italianen zijn hartstikke goed in rampenbestrijding, het kan niet anders. Gevaar ligt altijd op de loer. Maar dat helpt vandaag niet en daarom loop ik nog een beetje verdoofd rond. Het besef dat ik die plekken waar ik gewoond, gestudeerd of zomaar rondgelopen heb nooit meer zal zien zoals ze in mijn herinneringen zitten. Dat monumenten die voor mij onlosmakelijk verbonden zijn met mijn streek, mijn familie, mijn geschiedenis, wie ik ben, er niet meer zijn.
Ja, wij Italianen zijn een beetje zo. Waar je vandaan komt is een deel van jezelf. En waar ik vandaan kom, wil ik vandaag even niet weten. Ik heb nog een tijdje nodig. Misschien is het tijd om mijn boekproject dat nu al twee jaar doormoddert – de prachtige foto’s van Antonio Di Maggio van burchten en kastelen in de provincie L’Aquila gecombineerd met mijn streekverhalen – weer ter hand te nemen. Het heeft als ondertitel: een gids voor ramptoeristen. Zoek zelf de verschillen uit. Zoiets.
Oei, dat wordt cynisch. Misschien omdat ik net hoor dat ook mijn tante is gevonden, maar dat men nog geen details over de begrafenis heeft. Het is beter zo. Beter een enge zekerheid dan die verstikkende onzekerheid van de laatste twee dagen.
En nu nog even wachten en kijken wat morgen zal brengen.
