Job Cohen blogt: “De ‘achterdeur’ moet internationeel gereguleerd worden.”
Job Cohen is burgemeester van Amsterdam en houdt zich al jaren bezig met het drugsbeleid in onze hoofdstad. Hierover ging hij bij Pauw en Witteman in debat met onder anderen Cisca Joldersma (CDA).
‘Minderjarigen moeten zo min mogelijk in aanraking komen met softdrugs’. Daarover ben ik het snel eens met het CDA, minister Rouvoet en alle anderen die zich zorgen maken over de gevolgen van softdruggebruik onder jongeren. Want die zijn op jonge leeftijd schadelijk, net als alcohol. Toch zie ik niets in het voorstel om bij wet te regelen dat er geen coffeeshops binnen een straal van 250 meter van een school mogen staan. Het is het verkeerde middel voor een op zichzelf goed doel. Intussen blijft de spagaat van een legale voordeur (coffeeshops mogen softdrugs verkopen) en een illegale achterdeur (maar geen softdrugs inkopen). Dat probleem moet worden opgelost door de achterdeur te reguleren. Dat vraagt een internationaal offensief.
Recent onderzoek onder Amsterdamse jongeren en docenten in het middelbaar onderwijs wijst uit wat we allemaal allang weten. Jongeren onder de 18 jaar mogen coffeeshops niet in en komen daar ook niet binnen: daar wordt streng op gecontroleerd. Als jongeren aan softdrugs willen komen, dan krijgen zij dit via via. Ook docenten zien daarom niets in het afstandscriterium. Zij geven aan dat alcoholgebruik onder jongeren voor veel grotere problemen zorgt. Daarbij, wat is 250 meter als je een fiets of een scooter hebt?
Ik stel een drieluik voor van preventie, overlastbestrijding en regulering. In alle gevallen hoort daar een stevige aanpak van de georganiseerde misdaad bij. Die is, helaas, nauw verbonden met softdrugs.
Preventie is nodig door jongeren, leerkrachten en ouders op indringende wijze te vertellen wat de gezondheidsrisico’s zijn van softdruggebruik en de negatieve invloed op de schoolprestaties. In Amsterdam en andere gemeenten hebben we hier goede ervaringen mee die uitgebreid kunnen worden.
Om overlast te bestrijden is spreiding van coffeeshops over het land en binnen de steden van belang. Coffeeshops kunnen, zeker bij concentratie, leiden tot overlast voor een woonbuurt. Coffeeshops zijn verantwoordelijk om overlast door bezoekers tegen te gaan en de straat schoon te houden. Als het nodig is, kan de gemeente dit aanvullen met straatcoaches, beperking van openingstijden, of, als uiterst redmiddel, een blowverbod instellen.
Het echte probleem met het gedoogbeleid is dat productie en aanvoer van softdrugs verboden zijn en daarmee per definitie de criminaliteit bevorderen. Dat los je niet op door coffeeshops te sluiten. Dat heeft de “drooglegging” (alcoholverbod) in de Verenigde Staten in de jaren 20 wel aangetoond: de misdaad nam de handel razendsnel over. Ik ben er daarom voor om te komen tot een internationaal offensief om “de achterdeur” te reguleren. Op die manier kun je als overheid toezicht houden op kwaliteit en omvang van de hennepteelt. Bovendien ontlast dat op den duur het justitiële apparaat en de politie enorm. Dat is mooi meegenomen in een tijd waarin van die organisaties zo veel wordt gevraagd.
Het belang van een goed softdrugsbeleid, zeker voor jongeren, is volgens mij zo belangrijk dat ik vind dat het kabinet hier de komende tijd op moeten in zetten. De ontwikkelingen in de Verenigde Staten en Latijns-Amerika zijn een steun in de rug om nu een stap vooruit te zetten in ons softdrugsbeleid.
Anna-Lena Hedin-Penninx is raadslid voor de PvdA in de gemeente Oude IJsselstreek. Ze was één van de kijkers die een vraag stelde aan minister Ab Klink tijdens het Hollands Humeur debat.
Ahmed Marcouch is stadsdeelvoorzitter in Amsterdam-West. Bij Pauw en Witteman ging hij in debat over de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs in Nederland.
Jules Muis, voormalig vice president van de Wereldbank, schreef een rap over de commissie-De Wit.
Accountant Jules Muis was vice-president van de Wereldbank. Bij Pauw & Witteman keek hij terug op het verhoor van Nout Wellink bij de commissie-De Wit.