Het eerste exemplaar van de bundel De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 250 essays van Joost Zwagerman lag gisteren op tafel bij Pauw & Witteman. Voor de schrijver was dat de reden dat hij nauwelijks iets opving van de conversatie aan tafel. Zwagerman blogt over zijn essay, zijn bijna-dood-, bijna thuis- en zo-is-alles-bijna-perfect ervaring.
‘….en Joost Zwagerman praat over zijn bijna-dood ervaring.’ Ik knipper even met mijn ogen als ik het Paul Witteman hoor zeggen, en denk meteen aan sommige familie-leden van me die nu vermoedelijk zitten te kijken. Kom kom, nou nou, bijna-dood ervaring. Het was maar een ongeluk op de fiets, hoor. Goed, een jongen gaf je een elleboogstoot, maar laten we het niet erger maken dan het is. Zo ongeveer zullen die familie-leden reageren op Pauls woorden, of die nu half-ironisch zijn of niet.
Intussen span ik mij in om mijn gedachten bij de tv-gesprekken te houden. Dat is niet altijd gemakkelijk, want voor me op tafel ligt die enorme turf, ‘De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880- in 250 essays’. Jaren heb ik aan de samenstelling van die bloemlezing gewerkt. Gewikt, gewogen, geaarzeld en gekozen; gesproken ook met diverse hoogleraren moderne en historische letterkunde, want gedurende dat samenstellen was het een uitkomst om nu en dan met echte professionals en hooggeleerde kenners van gedachten te wisselen. En dan ligt het boek daar dan op de talkshowtafel, en dat terwijl het officieel pas later in de week in de winkels ligt en nu nog niet van de drukpersen is gerold. Speciaal voor deze uitzending van Pauw & Witteman heeft een medewerker van uitgeverij Prometheus éen enkel exemplaar bij de drukkerij weggekaapt. Dat exemplaar ligt nu voor me op tafel en is voor mij ook echt het aller-, allereerste exemplaar.
Nog nooit heb ik een eerste exemplaar van éen van mijn boeken in een tv-studio in ontvangst genomen. Meestal gebeurt zoiets ten burele van de uitgeverij. Of anders komen de uitgever en de redacteur thuis bij me langs, fles champagne onder de arm. Maar deze keer blader ik vlak voordat de uitzending begint stiekem en gehaast door het vuistdikke boek dat nu dus feitelijk en tastbaar mijn leven komt binnengezeild.
Raar moment, altijd weer, het aanraken en vasthouden van zo’n allereerste exemplaar. Blijdschap natuurlijk, de klus is geklaard, maar in dit geval voel ik me ook een tikje melancholiek. De Nederlandse en Vlaamse literatuur vanaf 1880 in 200 essays , en in zekere zin ligt in allerdrie die delen bij elkaar de kern, het merg, het ‘nec plus ultra’ van mijn halve lezende leven vervat – ik zeg, mijn halve leven, want er is natuurlijk nog een andere helft omdat er ook veel van buiten de landsgrenzen moet worden gelezen.
Wat hierna nog te bloemlezen? Kan of moet ik nu lui achterover gaan zitten, denkend aan lauweren waarop ik dien te gaan rusten? What’s next? Nou ja, in de greep van allerlei meanderende kleine gedachten en overwegingen zit ik aan tafel, en ergens in een hoekje van mijn hoofd komen wat steekwoorden binnen van de gesprekken die aan tafel worden gevoerd. OV Chipkaart. O ja
. ‘Gesprekken eenzijdig opgezegd.’ ‘We sluiten niet uit dat we actie gaan ondernemen.’ Het zullen vast zinnen van groot gewicht en dito urgentie, en eerdere avonden dat ik aan tafel bij Pauw & Witteman zat, werd ik altijd dwingend het tafelgesprek ingezogen, maar deze keer blijven mijn gedachten telkens haken aan mijn bloemlezing die daar nu dikbuikig en voltooid op tafel ligt, en in afwisseling met dat melancholieke gemijmer dwaalt mijn blik soms af naar diverse mensen in het publiek. Een goedlachse jongen met een kaal hoofd die opvallend veel op de kunstcriticus Hans den Hartog Jager lijkt – maar nee, het is ‘m toch niet. Een lief echtpaar van middelbare leeftijd dat, zo lijkt het, gedurende de hele uitzending de handen verstrengeld houdt. Een jongen in een gifgroen overhemd aan de kraag waarvan hij af en toe zit te plukken. Een meisje met hennarood haar dat tamelijk wild is opgebonden en waarvan de uiteinden stoer tegen de rode randen van het Pauw & Witteman-logo prikken.
Dan zegt Paul ineens voor een tweede keer iets over die bijna-dood ervaring, en ik begrijp dat ik bij de les moet blijven. Maar eerst: de zapservice. Even later vragen de heren mij of dat ongeluk in het verkeer nu blijvende veranderingen heeft nagelaten, en nadat ik wat bijzonderheden heb opgenoemd, hoor ik mijzelf zeggen dat er sindsdien iets aan mijn concentratie schort. Ik aarzel of ik zal bekennen dat ik nauwelijks iets heb opgevangen van de conversatie die tot op heden over tafel is gegaan. Toch maar niet – de tafelgenoten zouden het misschien verkeerd op kunnen vatten, terwijl het toch echt aan mij ligt – en aan dat grote, dikke boek natuurlijk met mijn naam erop en dat naar me ligt te lonken en nu al een half uur naar me lijkt te seinen: sla mij open, controleer mij, check de jaartallen die hierbinnen staan vermeld, ga de inhoudsopgave na, inspecteer de kleine wijzigingen die je op het laatste moment nog in de inleiding heb aangebracht – maar ook: houd mij vast, streel mijn kaft, betast mijn ingebonden rug, duw je duim liefkozend tegen mijn vliesdunne bladzijden, ruik de troostende geur die ik met heel mijn godallemachtige veertienhonderd-en-nog-wat-pagina’s lang verspreid: papier, lijm, drukinkt; snuif die eeuwige melange op die een boek ook echt een boek maakt, en druk mij uiteindelijk kozend tegen de borst, vlak voordat je mij weer weglegt en alleen laat… Jaja. Mag het een tikje minder hoogdravend?
Dan hoor ik de aftiteling; zes mannen aan tafel gaan verzitten in hun stoel voordat ze opstaan. De beide presentatoren lopen nu de tafel langs om handen te schudden, en naast en tegenover mij peuteren de drie overige gasten aan de revers van hun jasje teneinde de microfoon te verwijderen. Nagesprek, de jasjes uit, beneden in ’t café wacht voor iedere gast de in rood cellofaan verpakte fles wijn.
Dan: op de fiets terug naar huis. Het is een route die ik vaker heb gefietst, van en naar De Wereld Draait Door bijvoorbeeld. Deze maandagavond is het bijna onwerkelijk stil op straat. Vorige keer gaf ik na de uitzending zelf nog exemplaren weg aan de beide presentatoren. Maar deze keer had ik aan een redacteur van Pauw & Witteman gevraagd of ik het exemplaar van de essaybloemlezing mee naar huis mocht nemen – want ja, het allereerste exemplaar….. Dat exemplaar bungelt nu in een plastic tasje dat aan mijn fietsstuur hangt. Twee kilo schoon aan de haak.
Nog voordat ik de Amstel bereik heb ik geen bijna-dood- maar wel een bijna thuis-ervaring, en dat terwijl het toch nog een kleine twintig minuten fietsen is voordat ik, écht thuisgekomen, in de leesstoel aan het echte werk kan beginnen: een tweede kennismaking met het boek – maar nu een echte, zonder studio-lampen, en zonder de vrolijke hectiek van studiopubliek, technici en langsrennende programmaredacteuren. Ik denk dat ik eens een half nachtje in mijn eigen bloemlezing ga zitten lezen. Wiens essay zal ik als eerste lezen:? Dat van Ter Braak? Van WF Hermans? Hella Haase? Connie Palmen, ‘Een nar vermoord je niet’, over Pim Fortuyn?
Flesje wijn mag uit cellofaan. Luie leesttoel. Gestrekte benen op een bijgeschoven eetkamerstoel. Sigaret. De bloemlezing willekeurig openslaan. Zomaar een alinea lezen. Hee, Jeroen Brouwers, ‘De Nieuwe Revisor’. Dat essay heb ik denk ik al meer dan twintig keer in mijn leven gelezen: polemiek die nooit verveelt. Tweede fragment. Gerrit Komrij, ‘Humeuren, temperamenten en demonen.’ Lezen, nu!
Zacht daalt rondom de leesstoel de gewenste stemming neer.
‘…. En Joost Zwagerman zegt verder niets over zijn zo-is-alles-bijna-perfect ervaring.’